Sociale Innovatie is Science Fiction

De gemeente Westland is in beweging. Op de slotdag van ‘swing’, een door Nyenrode Bussiness Universiteit begeleid programma rondom persoonlijk leiderschap, wisselden zo’n 300 medewerkers van de gemeente Westland ideeën uit over een eigentijdse invulling van de rol van de lokale overheid. In dit tuinbouwgebied dat zich onderscheidt door ondernemerschap en innovatie, vraagt zo’n toekomstgerichte aanpak om een inspirerend verhaal. Ik mocht dat komen vertellen en koos voor een genre dat zich bij uitstek bezig houdt met veranderen en toekomst:  Science Fiction.
‘The Time Machine’ van H.G. Wells als metafoor voor de rol van de gemeente in een veranderend Westland. Met als centrale vraag: “Met welk personage identificeer jij je?”

SciFi verhalen baseren zich meestal op één van twee mogelijke premisses: Het eerste is ‘What if’, het tweede ‘Picture This’. In ‘What if’ verhalen staat een technologische ontwikkeling centraal die de held mogelijkheden verschaft maar tegelijkertijd in moeilijkheden brengt. De Back to the Future tijdmachine in de DeLorean stelt Marty McFly in staat om naar het verleden te reizen (in stijl) maar eenmaal terug in de tijd saboteert Marty onbedoeld de ontmoeting tussen zijn ouders.

(Haakje openen: voor de volledigheid merk ik hier even op dat verhalen zoals die worden verteld in films als Star Wars en The Hunger Games volgens deze indeling niet behoren tot de science fiction maar tot de Fantasy. Het zijn variaties op de Mono-myth (Campbell 1949) die zich afspelen in een parallelle werkelijkheid. U weet wel: Long ago in a galaxy far, far away. Haakje sluiten.)

‘What if’ verhalen beschrijven een technologische innovatie en de terra incognita die daarmee wordt ontsloten. We vinden deze premisse terug in veel Jules Verne klassiekers (wat als we ons 20.000 mijlen onder de zeespiegel begeven) in moderne klassiekers als Jurrasic Park (wat als we een T-rex klonen) en Alien (wat als we in deep-space een nieuw  organisme aantreffen dat tegen alles bestand is).

In de Time Machine (1895) van Herbert George Wells (1866 -1946) reist de Timetraveler – een naamloze held –  met zijn zelfgemaakte machine naar het jaar 802.701 en treft daar een, op het eerste gezicht, utopische samenleving aan. Een volstrekt vegetarische leefgemeenschap in een zelfvoorzienend ecosysteem, waar iedere boom vruchten draagt en elke struik groente voortbrengt. De mensheid, zo meent de Timetraveler, is er in geslaagd planten zo te veredelen dat alles vruchten draagt en onkruid niet meer bestaat (voorwaar een aantrekkelijk toekomstbeeld voor gemeente Westland, met de grootste glastuinbouwconcentratie van de wereld.)
Hij treft geen gebrekkige of oude mensen aan. De economie is zo subtiel georganiseerd – er is kleding, aardewerk, iemand oogst en dekt de gemeenschappelijke tafel – dat niemand lijkt te hoeven werken. Dit volk, de Eloï, heeft een opmerkelijk gebrek aan ambitie. Als Weena, een jonge vrouw, in de beek dreigt te verdrinken wordt dat door de rest met een kinderlijke nieuwsgierigheid gade geslagen. De Timetraveler moet zijn aanwezigheid verraden om haar te redden en ook zijn aanwezigheid wekt geen consternatie. Dat duidt volgens hem op de totale afwezigheid van gevaar en dreiging.

Nader onderzoek – wanneer zijn tijdmachine door iets of iemand is verdonkeremaand  – maakt dat onze held zijn conclusies moet bijstellen. Onder de grond treft hij andere wezens aan: Morlocks die, gezien de hoeveelheid beenderen die hij in de gangen vindt, fanatieke carnivoren lijken te zijn. Zijn nieuwe hypothese is dat de mensheid zich heeft geëvolueerd in twee verschillende rassen. Bovengronds leven de Eloï hun hedonistische, vreedzame bestaan dat door de Morlocks, als slaven in ondergrondse fabrieken, wordt gefaciliteerd. De analogie tussen de onderaardse machineparken en de donkere fabrieken uit de industriële revolutie, het tijdperk waarin Wells leefde en werkte, ligt voor de hand.

De oplettende lezer heeft overigens al lang opgemerkt dat Wells maar matig geïnteresseerd was in het fenomeen ‘tijdreizen’. In de bioscoopverfilmingen van zowel George Pal (1960) als Simon Wells (2002, jawel, de achterkleinzoon van) zijn wél scenes opgenomen waarin zaken als ‘tijdparadox’ en ‘butterfly effect’ een rol spelen, maar in het oorspronkelijke boek schitteren deze natuurkundige elementen door afwezigheid. Voor Wells was de Time Machine niet gestoeld op ‘What if’ maar op het meer sociologische ‘Picture This.’

De ‘Picture This’ premisse vraagt de lezer (of kijker of luisteraar) een technologische ontwikkeling als gegeven te beschouwen en het ongeloof even op te schorten. Deze ‘suspension of disbelief’  werd voor het eerst beschreven door de dichter Samuel Taylor (1772 – 1834). Het stelt de storyteller in staat om een kunstmatige situatie aannemelijk te maken om vervolgens dieper in te gaan op de ethische gevolgen ervan. ‘Picture This’  schetst een vaak dystopische toekomst en geeft een kijk op onze huidige samenleving. Dit soort verhalen worden daarom als meer betekenisvolle science fiction gezien dan ‘What If’ verhalen.
Wells hoort met zijn Time Machine thuis in het rijtje Orwell (stel je voor dat de overheid op alle fronten het doen, laten en denken controleert), Asimov (stel je voor dat kunstmatig intelligente robots dezelfde juridische positie krijgen als mensen) en, recenter, Dave Eggers (stel je voor dat alle datastromen in handen komen van één technologisch conglomeraat) en Frank Darabont (stel je voor dat een zombievirus de mensheid decimeert).

Een team aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus universiteit, onder leiding van Prof. Volberda, onderzoekt sinds een aantal jaren sociale innovatie (klik voor een pdf download). Volberda et al tonen aan dat sociale innovatie (slimmer werken, flexibeler organiseren, dynamisch managen) voor 75% bijdraagt aan innovatiesucces, tegen de 25% die kan worden toegeschreven aan technologische innovatie. De onderzoekers stellen vast dat, ondanks dat het efficiënter is energie te steken in sociale innovatie, de meeste organisaties  de energie vooral richten technologische vernieuwing. Menig consultant in ICT zal beamen dat de klant het budget liever besteed aan de aanschaf en aanpassing van software dan aan het scholen van de medewerkers in het gebruik er van.
Met het swingprogramma zet Gemeente Westland wél in op sociale innovatie. De thema’s en voorstellen die op de slotdag werden gepresenteerd vallen veelal in dezelfde categorieën die Volberda et al propageren. Burgerparticaptie (co-creatie), deregulatie (flexibiliseren) en integrale teams (slimmer werken).
Net als in ‘Picture This Science Fiction’ wordt binnen sociale innovatie de technologische ontwikkeling   als gegeven gezien en proberen organisaties zich voor te stellen wat deze voor hen kan betekenen. Dat maakt dit genre bij uitstek geschikt als metafoor voor de sociaal-innovatieve organisatie. En welke les kan de gemeente Westland trekken uit de Time Machine?

De Timetraveler komt tot de schokkende ontdekking dat de verhoudingen tussen Eloï  en Morlocks veel gruwelijker is dan hij aanvankelijk dacht. De Eloï zijn niet de meesters van de Morlocks, maar hun vee. Met kleding en voedsel worden ze tam gehouden en gefokt voor de voedselvoorziening. Hun passieve houding vloeit voort uit zelfbehoud; wie zich aan de rand van de kudde begeeft loopt een groter risico te worden opgevroten dan wie passief met de stroom mee beweegt.
De Morlocks gebruiken de tijdmachine om de Timetraveler in de val te lokken maar hij weet te ontsnappen en keert terug naar 1895. Daar wordt zijn verhaal over de toekomst door zijn Victoriaanse vrienden naar het rijk der fabelen verwezen. Hij wordt weggezet als een fantast – misschien wel een socialist – en zijn tijdmachine is een goedkope hoax.

Aan het eind van het verhaal vroeg ik de aanwezige bestuurders en ambtenaren met wie zij zicht het meest identificeerden. Met de Timetraveler – de innovator – of juist met zijn tijdgenoten die iedere vernieuwing beschouwen als bedreiging voor de eigen positie?
Voorstanders van een kleine overheid zien ambtenaren vaak als Morlocks; ze faciliteren, dat wel,  maar tegen een veel te hoge prijs.
Medewerkers van politiek-bureaucratische organisaties voelen zich soms als Eloï. De dagelijkse gang van zaken is comfortabel zolang je de status quo niet uitdaagt.  Afwijken van geaccepteerd gedrag is gevaarlijk. Soms wordt een innovator met sympathie bekeken en zelfs achterna gelopen, zoals Weena het hele boek letterlijk doet, maar zelfs de sympathisanten zijn zelf niet tot verandering in staat.

De Timetraveler heeft in de 802.701 niets kunnen veranderen aan de status quo – in dat opzicht was Wells geen optimist – maar gesuggereerd wordt dat hij ‘back to the future’ reist. Of dat is om het verschil te maken, of om Weena te redden. wordt door Wells in het midden gelaten.
Voor de producenten van de Hollywoodverfilmingen was dat onbevredigend. Deze scene uit de 1960 versie, zit niet in het oorspronkelijke boek en wil een heel andere boodschap overbrengen:

Hier is de held de outsider die laat zien dat veranderen kan, noodzakelijk is en dat het je wat oplevert.
Maar de  held is ook maar een mannetje alleen en het verschil tussen ‘a lone nut’ en ‘a leader’ is de aanwezigheid van volgers. De eerste volger (in deze scene de jonge Eloï) is de ware vonk van inspiratie. Hij brengt daadwerkelijk iets teweeg.

Nyenrode Bussiness Universiteit begon het Swing programma met de YouTube hit ‘How to start a movement‘. Een mooi voorbeeld van informeel leiderschap. Het bracht gemeente Westland in beweging.
Wie volgt.

Binnen Storyline Alignment onderzoek ik het concept van True Stories: hoe we storytelling en klassiekers kunnen koppelen aan de thema’s organisatie & verandering, bedrijfscultuur en leiderschap. Over True Stories en andere projecten is hier op de homepage een aantal columns te vinden.

#performance lecture#storytelling#true stories

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *